Expositie Demelza Froussis in Pakhuisgalerie

HOORN - Demelza Froussis woont en werkt in Hoorn en schildert vanaf haar vijftiende jaar. Demelza zat toen onze school nog in Spanbroek stond, bij ons op school. Naast tekenen speelde ze toen ook al de harp. Van 22 november tot en met 31 december exposeert zij in Theater Het Pakhuis, Onder de Boompjes 21. Onderwerpen zijn zelfportret, stilleven, bloemen, dieren en landschappen. Materialen waar Demelza het liefste mee werkt zijn olieverf en pastelkrijt. Inspiratie doet zij ook op door in de natuur schetsen te maken en exposities te bezoeken. Demelza houdt van kleurrijk en spontaan werken. Schilders die haar inspireren zijn Karel Appel, Vincent van Gogh en Picasso. Openingstijden van de expositie: maandag tot en met vrijdag van 10.00 tot 16.00 uur en in het weekend tijdens de voorstellingen. De expositie wordt zondag 23 november om 15.00 uur officieel geopend.

En nog een nieuwtje van een oud leerling


Over dit onderzoek


Deze krant enquêteerde in samenwerking met onderzoeksbureau Overheid in Nederland alle gemeentenover de grootste overheveling van taken naar gemeenten ooit. Wethouders en burgemeesters uit tweederde van alle gemeenten (266 van de 403) spraken zich uit.

Vanaf 1 januari krijgen gemeenten drie grote extra taken: de jeugdzorg, de zorg voor mensen die hulp nodig hebben en werk voor gehandicapten. Nu zijn die taken nog grotendeels ondergebracht bij provincie en Rijk. De overheveling naar gemeenten is ook een bezuiniging.



De belangrijkste drie conclusies uit de enquête zijn:

1. Geldgebrek is de grootste zorg van de wethouders.
 Een op de drie zegt onvoldoende geld te hebben om de zorg voor thuiswonende zieken en ouderen ‘naar behoren’ uit te voeren. De helft denkt onvoldoende geld te hebben voor de jeugdzorg. Driekwart van de gemeenten voorziet een kastekort bij het aan werk helpen van gehandicapten.

2. Wat het Rijk niet levert, leggen gemeenten massaal zelf bij.
60 procent van hen heeft een ‘noodpot’ aangelegd om de tekorten op te vangen. Dat geld moet ergens vandaan komen, bijvoorbeeld door te snijden in andere posten: zwembaden, peuterspeelzalen, dorpshuizen, bibliotheken.

3. Er is nog minder geld dan de wethouders dachten. 
Ruim driekwart van de gemeenten zegt dat het Rijk veel minder geld voor jeugdzorg overmaakt dan door bezuinigingen kan worden verklaard. Zeker een op de drie gemeenten zal voor extra geld aankloppen bij het Rijk.


In bijna al die gemeenten maken wethouders zich grote zorgen, blijkt uit een enquête van deze krant en onderzoeksbureau Overheid in Nederland. We ondervroegen burgemeesters en wethouders in alle gemeenten, waarvan tweederde reageerde; 266 gemeenten in getal. Onderwerp: de drie decentralisaties die op 1 januari plaatsvinden. Wat gebeurt er dan? Gemeenten worden verantwoordelijk voor de jeugdzorg, langdurige zorg aan hulpbehoevenden, en arbeidsplekken voor gehandicapten. Nog anderhalve maand resteert dus. Of zeg gerust een maand, want rond 20 december schakelt 2014, zeker in de ambtenarij, over naar kerstbal en oliebol. Hoe denken bestuurders over de grootscheepse veranderingen?

"...dus krijgt de muziek minder geld, wordt de ringweg slechter onderhouden, loopt het wijkcentrum subsidie mis."

Niet alles is kommer en kwel, zo blijkt. 

Liefst 93 procent van de gemeenten staat vierkant achter de decentralisaties zelf. Wij, zeggen burgemeesters en wethouders, kennen onze burgers het beste en weten als geen ander hoe zij hun zorg georganiseerd willen zien.

Maar feit is: dit positieve geluid sneeuwt onder, als je de wethouders goed aanhoort. Het Rijk krijgt ervan langs. Ruim de helft van de gemeenten klaagt over de manier waarop ze de nieuwe taken in de schoot geworpen krijgen. Waarom weten we nog stééds niet hoeveel geld er voor jeugdzorg is?
Laat los, dames en heren van het Rijk
‘En waarom wil het Rijk zoveel regels opleggen, terwijl we tegelijkertijd worden geacht om de zorg op onze eigen manier te organiseren?’ vragen de gemeenten zich af. Wethouders vrezen ook dat volgend jaar elk lokaal incident zal leiden tot Haagse bemoeizucht en extra toezicht. „De Haagse risicoregelreflex”, zoals een bestuurder het uitdrukt. Liever niet, zegt een collega-wethouder. Zijn boodschap: „Loslaten, dames en heren.”

De grootste klacht is geldgebrek. 

De decentralisaties gaan namelijk gepaard met miljardenbezuinigingen. Slechts 30 procent van alle lokale bestuurders zegt genoeg budget over te hebben om de zorg voor thuiswonenden naar behoren te kunnen uitvoeren – denk aan het betalen van een traplift, maaltijden van tafeltje-dekje of boodschappenhulp voor dementerenden. Voor jeugdzorg schat slechts 20 procent van de wethouders voldoende geld te hebben. De grootste zorgen hebben wethouders over de Participatiewet: een schamele 10 procent zegt genoeg budget te hebben om mensen met een beperking aan een baan te helpen.

Gemeenten zagen die bui al hangen: 60 procent heeft – vanwege de bezuinigingen op de nieuwe taken – een noodpot aangelegd. Van twee ton in het Zuid-Hollandse Zederik (13.500 inwoners) tot 20 miljoen in Arnhem (150.000 inwoners). Om die potten te vullen snijden tachtig gemeenten – 17 procent van het totaal – op andere posten. Het plaatselijk muziekcollectief dat een halve ton minder krijgt. Wijkcentra die voortaan vier ton per jaar mislopen. Lokale ringwegen die minder vaak een onderhoudsbeurt krijgen.

En blijf af van de kinderen

Besparingen alom, dus. Maar één bezuinigingsmaatregel gaat wethouders te ver: ze willen niet dat kinderen de dupe worden van de lagere budgetten. De overgang van jeugdzorg naar de gemeenten gaat gepaard met een bezuiniging van 450 miljoen euro, uitgesmeerd over drie jaar. Wethouders willen een beroep doen op hun noodpot, zeggen ze. Efficiënter werken. Of – zoals bijna eenderde van de wethouders wil – compensatie vragen bij het Rijk. Het ministerie van VWS laat weten open te staan voor gesprekken hierover.

Maar zelfs al is het geldprobleem de wereld uit, dan nog voorzien de wethouders moeilijkheden. Want hoeveel zorg moeten ze inkopen? Daarvoor moeten ze in elk geval weten hoeveel kinderen er van jeugdzorg gebruikmaken. Een op de drie gemeenten zegt dat niet te weten; zij hebben vaak nog geen complete bestanden gekregen van jeugdzorginstellingen. „Informatie komt versnipperd, veel te laat en klopt vaak ook niet eens”, zegt een wethouder. Dus wat betekent dit voor de kinderen? Zij mogen niet tussen wal en schip vallen, maar 16 procent van de bestuurders durft daar de handen niet voor in het vuur te steken. Een wethouder: „Doordat we niet weten of we iedereen in beeld hebben, kan die garantie niet gegeven worden.”
Trouwens, die banen zijn er niet

In de reïntegratie van gehandicapten – de Participatiewet – hebben wethouders het minst vertrouwen. 

Honderdduizend gehandicapten moeten de komende tien jaar reguliere banen krijgen. En daar moeten gemeenten voor zorgen. Maar die banen zijn er helemaal niet, zegt Annalies Usmany-Dallinga, wethouder in het Groningse Appingedam. Haar regio kampt met een werkloosheid van 15 procent. „Er is daardoor onvoldoende perspectief voor de mensen met een beperking. Dat is echt heel naar.” Ook de bereidheid van werkgevers om gehandicapten in dienst te nemen, laat te wensen over, zeggen wethouders. Er is „angst”, er zijn „vooroordelen” en: „onbekend maakt onbemind”. Ruim driekwart van de gemeenten voorziet dan ook problemen bij het aan werk helpen van gehandicapten. Een zorgwekkend hoog aantal, zegt Roland Blonk, hoogleraar arbeidsparticipatie verbonden aan Universiteit Utrecht en kennisinstituut TNO. „Maar verbazingwekkend is dit niet. Bedrijven werken steeds meer met flexwerkers. Er is dus grotere concurrentie op de vaste banen. Dat maakt het lastig om mensen met een beperking structureel aan werk te helpen. Zij zijn niet de sterksten.”

Gehandicapt of in de bijstand: meer werk

Wat: werk voor mensen met ‘achterstand tot de arbeidsmarkt’.
Voor wie: voor de circa 400.000 bijstandsgerechtigden. En voor de enkele honderdduizenden mensen die door een verstandelijke of lichamelijke handicap nu geen reguliere banen hebben.
Wie is nu verantwoordelijk: gemeenten gaan nu al over de bijstand en – samen met uitkeringsinstantie UWV – over mensen met ‘achterstand tot de arbeidsmarkt’.

Wat verandert er: gemeenten blijven verantwoordelijk, maar de nadruk komt meer te liggen op reïntegratie. Werkgevers moeten tot 2026 100.000 gehandicapten in dienst nemen, de overheid 25.000 tot 2024. Nieuwe instroom in de sociale werkvoorziening stopt. Jonggehandicapten krijgen alleen nog een Wajong-uitkering als ze volledig arbeidsongeschikt zijn. Bijstandsgerechtigden moeten sneller werk accepteren en soms een tegenprestatie leveren, zoals plantsoenwerk.
Nogmaals: bijna alle gemeenten vinden dat zij beter voor zwakkere burgers kunnen zorgen dan het Rijk. Maar de angst is wijdverspreid. Dat een autistische werknemer zonder goede begeleiding aan de slag moet bij een werkgever. Dat probleemkinderen te lang moeten wachten op het intakegesprek bij de psychiater. Dat ouderen de toegang tot het verzorgingshuis wordt ontzegd, al zijn ze te vergeetachtig om nog veilig thuis te wonen. Een wethouder: „Voor het Rijk is de gedachte: dan zijn wij er mooi vanaf, en mogen de gemeenten de bezuinigingen verstouwen en eventuele misstanden verantwoorden.”